Oorsprong
Het stokstaartje is een klein roofdier dat oorspronkelijk uit het zuiden van Afrika komt. Het dier behoort tot de familie van de mangoesten en leeft vooral in droge, open gebieden. In landen als Botswana, Namibië en Zuid-Afrika is het stokstaartje een vertrouwde verschijning. Daar beweegt het zich moeiteloos over zandvlakten en halfwoestijnen waar temperaturen sterk variëren tussen dag en nacht.
Leefgebied
Stokstaartjes bewonen vaak gebieden met weinig begroeiing. Ze kiezen plekken waar de aarde zacht genoeg is om in te graven. Hun ondergrondse gangenstelsels bestaan uit talloze kamers en tunnels die bescherming bieden tegen roofdieren en zonnehitte. In één kolonie kunnen wel tientallen stokstaartjes samenleven, vaak verdeeld over verschillende verblijven binnen hetzelfde territorium. Hun gangen zijn zorgvuldig gebouwd, met aparte ruimtes voor slapen, verzorgen en grootbrengen van jongen.
Uiterlijk
Een stokstaartje is klein en slank, meestal zo’n dertig centimeter lang met daarbij een staart van twintig centimeter. De vacht heeft een zandkleur die perfect opgaat in het landschap. Donkere vlekken rond de ogen beschermen tegen de felle zon. Hun voorpoten hebben scherpe klauwen waarmee ze snel kunnen graven. Een stokstaartje herken je meteen aan zijn typische houding: rechtop op de achterpoten, terwijl het de omgeving scherp in de gaten houdt. Vaak neemt één dier de rol van uitkijkpost, terwijl de rest foerageert.
Voeding
Het stokstaartje eet vooral insecten, zoals kevers, sprinkhanen en larven. Daarnaast staan kleine knaagdieren, eieren en reptielen op het menu. Soms zoekt het dier ook wortels of bessen om vocht binnen te krijgen. Dankzij hun sterke reukvermogen vinden stokstaartjes voedsel dat diep onder het zand verborgen ligt. Ze zijn niet kieskeurig en passen hun dieet gemakkelijk aan de omstandigheden aan. Tijdens droge periodes kunnen ze lang zonder water, omdat ze genoeg vocht halen uit hun voedsel.
Sociaal leven
Stokstaartjes leven in hechte groepen die tot veertig dieren kunnen tellen. Hun samenleving is goed georganiseerd. Er is meestal een dominant paar dat de leiding heeft over de groep. Het vrouwtje van dit paar krijgt de meeste jongen, terwijl andere groepsleden helpen bij de verzorging. Ze bewaken het nest, houden de kleintjes warm en leren hen hoe ze moeten jagen. Deze samenwerking vergroot de overlevingskansen van alle dieren in de kolonie.
Kraamtijd
Na een dracht van ongeveer elf weken worden meestal drie tot vijf jongen geboren. De jongen blijven de eerste weken in het hol, waar ze door de hele groep worden verzorgd. Pas wanneer ze oud genoeg zijn om buiten te spelen, mogen ze mee op verkenning. Dan leren ze onder begeleiding van oudere dieren hoe ze prooien moeten vangen en roofdieren kunnen ontwijken. Dit leerproces begint al binnen enkele weken, wat essentieel is in een omgeving vol gevaren.
Bedreigingen
Hoewel stokstaartjes zelf handige jagers zijn, moeten ze voortdurend alert blijven. Roofvogels zoals arenden en wouwen vormen een groot gevaar. Ook slangen en jakhalzen loeren op jonge dieren. De groepen beschermen zich door voortdurend waakzaam te zijn. Zodra één stokstaartje alarm slaat, verdwijnt de rest bliksemsnel terug het hol in. Klimaatverandering en uitbreiding van menselijke nederzettingen verkleinen hun natuurlijke leefgebied, maar in beschermde natuurparken blijven populaties stabiel.
Levensduur
In het wild wordt een stokstaartje meestal zes tot acht jaar oud. In dierentuinen, waar voedsel en verzorging verzekerd zijn, kunnen ze soms wel tot vijftien jaar leven. Hun aanpassingsvermogen en sterke sociale banden helpen hen om te overleven in de ruige Afrikaanse natuur.
Territorium
Elke groep bewaakt een eigen gebied dat enkele vierkante kilometers groot kan zijn. Binnen dat territorium wisselen ze verschillende ondergrondse verblijven af. Geuren en geluiden markeren de grenzen. Komt een vreemde groep te dichtbij, dan kunnen felle confrontaties ontstaan. Toch vermijden stokstaartjes grote conflicten, omdat samenwerking binnen de groep belangrijker is dan strijd met anderen.
