Oorsprong
De boomkikker is een opvallende, felgroene amfibie die oorspronkelijk uit Europa en delen van Azië komt. Hij behoort tot de familie van de echte kikkers maar onderscheidt zich door zijn gladde huid en zuignapachtige teentjes. Die zorgen ervoor dat hij soepel tussen bladeren en takken kan klimmen. In Nederland was de soort jarenlang zeldzaam, maar dankzij herstelprojecten krijgt het dier een tweede kans.
Verspreiding
De boomkikker leeft verspreid over Zuid- en Midden-Europa, van Frankrijk tot Griekenland, en strekt zich oostwaarts uit tot in delen van Turkije. In Nederland komt hij vooral voor in het oosten en zuiden, met populaties in Overijssel, Limburg en Noord-Brabant. In België leeft hij in enkele natuurgebieden in Limburg en Henegouwen. Hij houdt van warme, vochtige biotopen met veel begroeiing en zon, zoals moerasranden en poelen.
Leefgebied
Zijn leefgebied bestaat uit kleinschalige landschappen met waterpartijen, struiken en open grasland. Overdag verstopt de boomkikker zich vaak in dicht struikgewas om uitdroging te voorkomen. Tegen de avond komt hij tevoorschijn, vooral tijdens warme lente- en zomeravonden. De soort is sterk afhankelijk van schoon, stilstaand water voor de voortplanting. Wanneer sloten dichtgroeien of droogvallen, verdwijnt de kikker snel. Ook stevige wind of langdurige kou kan zijn verspreiding beperken, omdat hij gevoelig is voor temperatuurschommelingen.
Voeding
Boomkikkers zijn insecteneters. Ze jagen op muggen, spinnen, vliegen en kevers die ze met hun kleverige tong vangen. Hun scherpe zicht en snelle reflexen maken hen tot efficiënte jagers. In het voorjaar eten ze extra veel om energie op te bouwen voor de paarperiode. Jonge boomkikkers, die uit de larven ontwikkelen, leven eerst in het water en voeden zich met algen en kleine waterdiertjes. Een volwassen boomkikker speelt een nuttige rol in het ecosysteem doordat hij helpt om insectenpopulaties in balans te houden.
Levenswijze
De boomkikker is overwegend nachtactief. Hij klimt graag in struiken en rietstengels op zoek naar voedsel of een partner. Ondanks zijn naam brengt hij niet al zijn tijd in bomen door; hij kiest eerder lage vegetatie dicht bij water. In de winter zoekt hij een beschutte plek onder bladeren of in de grond waar de temperatuur boven het vriespunt blijft. Zodra het voorjaar begint, wordt hij weer actief en hoor je zijn karakteristieke roep opnieuw in de schemering.
Kenmerken
Je herkent de boomkikker aan zijn heldergroene kleur, slanke bouw en glanzende huid. Langs zijn flanken loopt een donkere streep van neus tot achterpoot. Onderzijde en keel zijn lichter van kleur. De mannetjes hebben een opvallende keelblaas waarmee ze in de paartijd luid kwaken. Hun roep is een kenmerkend, kort klinkend geluid dat op zwoele avonden over de velden galmt.
Voortplanting
De kraamtijd valt in april en mei, wanneer de watertemperatuur oploopt. Mannetjes verzamelen zich aan oevers en lokken de vrouwtjes met hun zang. Na de paring zet het vrouwtje eieren af in kleine groepen aan waterplanten. Na een tot drie weken komen de larven uit, die zich in enkele maanden ontwikkelen tot jonge kikkertjes. Slechts een klein deel overleeft hun eerste jaar. De jonge dieren trekken daarna het land op en zoeken hun eigen territorium, meestal niet ver van hun geboortepoel.
Bedreigingen
De boomkikker is gevoelig voor veranderingen in het landschap. Verdroging, intensieve landbouw en het verdwijnen van poelen vormen de grootste bedreigingen. Ook verkeer en het gebruik van pesticiden eisen hun tol. Gelukkig werken natuurorganisaties aan herstel door poelen te graven en natuurlijke overgangen tussen leefgebieden te creëren. Dankzij deze inspanningen neemt de populatie langzaam toe. Toch blijft blijvende bescherming noodzakelijk om nieuwe achteruitgang te voorkomen.
Levensduur
In het wild kan een boomkikker tot tien jaar oud worden, afhankelijk van klimaat en predatie. In gevangenschap wordt hij soms ouder. Zijn toekomst blijft echter onzeker zolang geschikte leefgebieden schaars zijn. De boomkikker is een klein dier met een groot verhaal, een symbool van hoe kwetsbaar én veerkrachtig de natuur kan zijn.

