Het schaap behoort tot de oudste gedomesticeerde zoogdieren ter wereld. Archeologen schatten dat mensen ongeveer tienduizend jaar geleden in het Midden-Oosten begonnen met het houden van schapen. Van daaruit verspreidde het dier zich via handelsroutes naar Azië, Afrika en later Europa. In Nederland verschenen schapen ongeveer vierduizend jaar geleden, vooral in het kustgebied. Boeren kweekten ze niet alleen voor vlees maar vooral voor hun zachte wol, een waardevol handelsproduct in koude klimaten.
Verspreiding
Tegenwoordig leeft het schaap op alle continenten behalve Antarctica. In Nieuw-Zeeland en Australië lopen de aantallen in de tientallen miljoenen, met uitgestrekte weides vol witte kuddes. Ook in het Verenigd Koninkrijk, Spanje en Nederland is het dier al eeuwenlang een vertrouwd gezicht op het platteland. Nederlandse rassen zoals het Texelse schaap en het Drents heideschaap zijn geliefd om hun sterke vachten en rustige aard. Schapen voelen zich het best in gematigde klimaten met open graslanden en heidevelden, waar ze voldoende ruimte hebben om te grazen.
Voeding
Het dieet van een schaap bestaat hoofdzakelijk uit gras. Hun vierdelige maag maakt het mogelijk om taaie plantenvezels goed te verteren. In de winter krijgen ze vaak hooi of krachtvoer om hun energie op peil te houden. Water speelt een even grote rol; een volwassen schaap drinkt dagelijks meerdere liters, vooral tijdens de warme maanden. Jonge lammeren drinken moedermelk tot ze oud genoeg zijn om mee te grazen. Dit maakt de kudde zowel zelfvoorzienend als goed aanpasbaar aan verschillende landschappen.
Leefgebied
Schapen leven in kuddes, vaak onder leiding van een ervaren ooi. Hun sociale gedrag beschermt hen tegen roofdieren. In de vrije natuur kiest het schaap open gebieden met goed zicht om gevaar tijdig te zien aankomen. Op boerderijen worden ze gehouden in weides met schuilplekken tegen wind en regen. In bergachtige landen zoeken ze steilere hellingen op waar kruidenrijk gras groeit. Dankzij hun dikke wolvacht kunnen ze extreme weersomstandigheden goed verdragen.
Bedreigingen
Ondanks hun langdurige samenwerking met de mens hebben schapen te maken met verschillende bedreigingen. Roofdieren zoals wolven en vossen vormen lokaal een risico, hoewel herders en afrasteringen bescherming bieden. Grotere bedreigingen komen van ziekten, parasieten en klimaatverandering. Warmer weer veroorzaakt vaker hittestress en uitdroging van graslanden. Daarnaast vormen meststoffen en bestrijdingsmiddelen in de intensieve landbouw een gevaar voor hun gezondheid. Veel landen werken aan duurzamere veeteelt om het welzijn van schapen te verbeteren.
Leeftijd en voortplanting
Een schaap leeft gemiddeld tussen de tien en twaalf jaar. Sommige rassen halen vijftien jaar wanneer ze zorgvuldig worden verzorgd. De kraamtijd valt meestal in het voorjaar, na een draagtijd van ongeveer vijf maanden. Ooien baren vaak één of twee lammeren, soms drie bij rassen die sterk zijn doorgefokt. De eerste weken blijven lammeren dicht bij hun moeder, waarna ze langzaam zelfstandig worden. De geboorte van lammetjes markeert traditiegetrouw het begin van het nieuwe weideseizoen.
Uiterlijk
Het witte schaap is het bekendste beeld, maar schapen komen ook voor in grijze, bruine en zelfs zwarte varianten. Hun wol varieert van fijn en glanzend tot grof en krullend, afhankelijk van het ras. De kenmerkende geur en zachte textuur zijn eeuwenlang gebruikt voor kleding, dekens en tapijten. De spiraalvormige hoorns van rammen en hun diepliggende ogen geven hen een opmerkelijke, bijna koninklijke uitstraling. In veel culturen symboliseert het witte schaap onschuld en rust.
Leefwijze
Een schaap is een rustzoeker. Het beweegt in een kalm tempo, houdt van regelmaat en volgt de kudde. Ze hebben geen sterk territorium maar keren instinctief terug naar bekende plekken. Herdershonden helpen vaak bij het bijeenhouden van de dieren, vooral in open gebieden. Wanneer de avond valt zoekt de kudde beschutting en rust tot de ochtend. Die eenvoud maakt het schaap tot een van de meest vertrouwde en geliefde dieren in het landschap.

