De Schotse hooglander is niet meer weg te denken uit de Nederlandse natuurgebieden en trekt met zijn imposante hoorns en lange vacht veel bekijks van wandelaars. Dit robuuste rund speelt een groeiende rol in natuurbeheer en roept tegelijk vragen op over herkomst, leefwijze en toekomst.
Oorsprong
De Schotse hooglander komt, zoals de naam al aangeeft, oorspronkelijk uit de westelijke hooglanden van Schotland, waar eeuwenlang een ruw klimaat en arme grond het leven bepaalden. Daar ontwikkelde het ras zich uit oude Keltische runderen die in kleine kuddes halfwild over de bergen trokken. De dieren werden door boeren gehouden voor vlees en overleefden dankzij een dikke vacht, sober voedselaanbod en groot uithoudingsvermogen.
Verspreiding
Vandaag leeft de Schotse hooglander in veel meer landen dan alleen Schotland en is het ras uitgegroeid tot een vaste verschijning in Europese natuurgebieden. In Nederland grazen kuddes in uiteenlopende gebieden, van grote reservaten zoals Lauwersmeer en Veluwezoom tot kleinere stadsnabije gebieden zoals de Broekpolder bij Vlaardingen. Ook in andere delen van Europa en Noord-Amerika wordt de soort ingezet als grazer in open landschappen met ruig gras en struweel.
Leefgebied
Het natuurlijke leefgebied bestaat uit open, ruige hooglanden met gras, heide en struiken, vaak met natte stukken en schrale bodem. In Nederland en omringende landen leven de dieren in heidegebieden, uiterwaarden, duinen en moerasachtige zones, waar ze grote afstanden afleggen binnen uitgestrekte terreinen. Ze kunnen jaarrond buiten blijven doordat hun vacht hen beschermt tegen regen, wind en vorst, zelfs bij temperaturen tot ver onder het vriespunt.
Voedsel
De Schotse hooglander is een sobere grazer die vooral gras eet maar ook ruigtes, jonge boompjes en plantensoorten aanpakt die andere runderrassen laten staan. De dieren eten zich in zomer en herfst vol en leggen zo vetreserves aan om de schaarse wintermaanden te doorstaan. Als herkauwers nemen ze snel veel voedsel op om dit later liggend rustig opnieuw te kauwen.
Leefwijze
In natuurgebieden leeft de Schotse hooglander in kleine tot middelgrote kuddes met koeien, kalveren en vaak één stier. Het ras staat bekend om een rustig, gemoedelijk karakter en kan zelfstandig overleven, al blijft voldoende rust en afstand tot recreanten belangrijk. De dieren kiezen zelf schaduw, windluwte of water op en verdelen hun tijd tussen grazen, herkauwen en rusten verspreid over het territorium.
Territorium
Kuddes gebruiken gebieden variërend van enkele hectaren tot enkele duizenden hectaren, afhankelijk van voedsel, water en beheer. Binnen zo een gebied trekken ze in patronen langs vaste graasplekken, rustplaatsen en drinklocaties, waardoor een mozaïek van korte en hogere vegetatie ontstaat. Dat begrazingspatroon houdt landschappen open en vergroot de variatie in planten en dieren die er kunnen leven.
Voortplanting
Schotse hooglanders worden later geslachtsrijp dan veel andere runderrassen, wat bijdraagt aan een rustig populatieritme en sterke nakomelingen. De draagtijd duurt ongeveer tien maanden, waarna meestal één kalf wordt geboren dat in de eerste weken dicht bij de moeder blijft. Koeien kunnen in hun leven gemiddeld tientallen kalveren krijgen en werpen vaak in het voorjaar, wanneer er meer voedsel beschikbaar is.
Leeftijd en herkenning
In gunstige omstandigheden kan een Schotse hooglander vijftien jaar of ouder worden, zeker in goed beheerde natuurgebieden. Het dier is makkelijk te herkennen aan de lange, vaak roodbruine vacht, de brede hoorns die bij beide geslachten voorkomen en de lage, gedrongen bouw. Die dikke vacht bestaat uit een waterafstotende buitenlaag en een zachte binnenlaag die voor warmte zorgt.

